Voos werd geboren in 1962 te Eenrum in Noord-Groningen. In 2008 debuteerde hij bij uitgever De Contrabas met de dichtbundel Klaai. In 2010 opgevolgd door Grensman. Daarna volgde de prozabundel De stemmingsvreter. In 2009 verhuisde hij van Deventer naar het platteland, langs de IJssel. Niettemin riep de gemeente Deventer hem in augustus 2011 uit tot stadsdichter en die functie zal hij uitoefenen tot augustus 2013. 27 April 2012 verscheen de Groningstalige bundel “Mien zinloze aanwezeghaid” bij De Kleine Uil.

Voorjaarsklassieker

de banden zijn opgepompt, ik reeds buiten adem,
wind mee de eerste kilometer, laat de spieren rustig opwarmen,
ik verander van richting, krijg een klap tegen het lichaam,
de straffe bries voert mestlucht mee en boeren ploegen
het land voor aardappels, asperges en maïs

het profiel van de banden volgezogen met modder
en klei, ik kleef aan de weg, mijn derailleur kreunt
net als mijn rug en knieën, spieren verzuren, de kop
vol karnemelkse pap; ik word in mijn hemd gezet
door andere fietsers ondanks mijn grote sterke
lichaam, wilskracht blijkt niet meer genoeg

dertig jaar roken openbaart zich door zwarte
fluimen teer die zich vanuit mijn longen door
de neusgaten naar buiten dringen, pijn tot
in de vingerkootjes; ik dien weer terug te
schakelen, het ego kraakt en piept en fluit

het zeemleer schuurt in mijn kruis, de zak tegen
het meedogenloze zadel geperst; God, wat hou ik
van mijn vrouw, maar dit weekend sla ik over;
fleurige distelvinken dansen in de meidoornhaag,
was ik maar zo licht op mijn pedalen

op de eindeloze dijk terug lachen de schapen,
word ik gepasseerd door een colonne motoren,
ligt defaitisme op de loer, zijn de benen zo zwaar;
hou vol, hou vol, bijna thuis, de zuurstoftank
wacht geduldig en vol troost