1.

Dank voor je boek Zwijnenberg (avonturen in cultureel Groningen). Is de cultuurbarbaar Zwijnenberg je alter ego? Wat ging eraan vooraf? Hoe is het zo gekomen?

Zwijnenberg is inderdaad mijn alter ego. Daar heb ik er meer van. Mega Watje bijv., die altijd in ‘Noachs Kat’ heeft gestaan en Piet en Arie, twee zwervers met een extremistische kijk op de samenleving, oorspronkelijk bedoeld voor De Riepe, maar gepubliceerd in de ‘Krantenkrant’,  de latere ‘Foolcolor’. Mega Watje is de tegenpool van Zwijnenberg.
Zwijnenberg is ontstaan omdat ik gevraagd was een bijdrage te leveren aan de cultuurkrant ‘Cultimo’, die toentertijd gratis verspreid werd in de rijkere wijken van Groningen. Een cultuurbarbaar leek me daar goed in te passen. Aangezien ikzelf in zekere zin een cultuurbarbaar ben had ik er wel plezier in om ze te schrijven. Ze deden het goed op het podium en toen Cultimo stopte ben ik ermee doorgegaan. Als me iets niet zinde schreef ik een Zwijnenberg. Nog later hebben er afleveringen gestaan in ‘Permafrost’. Met eentje heb ik eens een voordrachtswedstrijd gewonnen, nl. die over de Konmar en toegevoegde vitaminen, dat is een hitje.
Het boek heeft meegedaan aan de wedstrijd ‘Open je eigen boek’, dat ging om vormgeving en inhoud en we kwamen bij de eerste 25 van de 287 of zoiets inzendingen. Ik had de teksten liggen en Cindy en Eva gevraagd of ze zin hadden om mee te doen aan die wedstrijd. Aangezien geen enkele uitgever geïnteresseerd is in korte verhalen (eigenlijk zijn het verkapte columns) zijn we overgegaan tot het uitbrengen in eigen beheer. Hierover valt alles te lezen op mijn site http://members.home.nl/hubertklaver.

2.

We beperken ons even tot het alter ego Zwijnenberg. In je boek zien we foto’s van zijn alter ego. Wie is hij? Een zwerver in een goed pak met een kapper die al even dood is?

Kenmerkend voor Zwijnenberg is dat hij zijn gedachten direct omzet in daden. Daadkracht staat voorop. In zoverre wijkt hij af van mezelf, dat ik eerst mijn gedachten laat gaan, voordat ik overga tot handelen. Juist die daadkracht spreekt de mensen aan. Vooral als ie boos wordt. Verder heb ikzelf even voor Zwijnenberg moeten spelen omdat het inhuren van een fotomodel een dure aangelegenheid is – Je moet roeien met de riemen die je hebt –  en heb daarbij een pak aangetrokken, omdat dat in een verhaal ergens genoemd wordt en hij zich daardoor duidelijk onderscheidt. Wel hebben we met dat uiterlijk wat gevarieerd, knopen dicht, knopen los, vest aan, vest uit, baard lang, baard eraf enz., zodat het leek dat het niet allemaal op 3 middagen is gefotografeerd.
De kapper is al jaren dood, niet alleen die van mij, maar ook die van Zwijnenberg. Het doet overigens ook iets barbaars aan. Een zwerver is het beslist niet. Zwervers zijn niet zo geneigd om naar culturele gelegenheden te gaan of zich daarmee bezig te houden. Wel duikt hij daar overal op en is hij een bekend Groninger, die erg sterk is en een imposant postuur heeft en daarmee ontzag inboezemt en dingen naar zijn hand kan zetten. Ik heb nog overwogen om bij het maken van de foto’s schoudervulling te gebruiken omdat mijn postuur toch minder geprononceerd is, maar dat is er niet van gekomen. Verder is het taalgebruik doorgaans kort en krachtig en was het de bedoeling om die kracht te accentueren. Hoe langer een zin wordt, hoe meer de energie wordt uitgesmeerd over een aantal woorden en in die zin is Mega Watje dan weer zijn tegenpool, want die kent slechts lange zinnen en moeilijke woorden.

3.

Naast de belevenissen van Zwijnenberg die beschouwend en anekdotisch van aard zijn, krijgt de lezer ook bijna zakelijke informatie over de stad Groningen. Zo beschrijf je o.a. het ziekenhuis, de stadsschouwburg , het Groninger Museum, een draaiorgel, een boekhandel en de Martinitoren. Is Zwijnenberg meer een cultuurbarbaar of meer een culturele liefhebber van zijn stad?

Beschouwend zou ik de stukjes niet noemen, in ieder geval niet diepgaand. Wat wil je ook in steeds 500 woorden. Ik vind ze eerder verhalend waarin wat minpuntjes over de betreffende locatie worden uitgewerkt.
In eerste instantie wilde ik de informatie over de stad Groningen fictief doen, maar dit bleek nogal verwarrend, zeker voor niet-Groningers. Het boek was bedoeld als cadeauboek en de verhalen haken vaak in op de actualiteit. De lezer kan middels deze informatie het zich even voor de geest halen
Zwijnenberg houdt van zijn stad in brede zin. Als je een cultuurbarbaar kiest voor een zeker tijdschrift, dan heeft dat z’n consequenties. Dan ga je niet schrijven over Jantje, die eens pruimen zag hangen. Het stukje over het draaiorgel is bijvoorbeeld geschreven over de pure ergernis als je op het terras zit voor een babbeltje. Zo ook de rompslomp die de Stadjespas oplevert. Ook wordt er nogal wat geluld in de culturele sector. Dan is Zwijnenberg een echte cultuurbarbaar.  Zou ik het over de Groninger eetcultuur gehad hebben, dan had ik geschreven over restaurants, eetcafés, het eten bij mensen thuis en streekgerechten. Dat zou heel andere verhalen opleveren. Het sluipt er dan wel even in, zoals bijv. het verhaaltje over de toegevoegde vitamines in vruchtensap. Dat kun je eigenlijk aanduiden als winkelcultuur. De bedoeling was om het typetje Zwijnenberg niet steeds dezelfde dingen te laten doen en dan moet je op zoek naar verschillende gebeurtenissen en locaties, die zich onder andere aandienden via de Gezinsbode.

4.

Je noemt je teksten ‘verkapte columns’ en schreef ze o.a. voor De Riepe, de straatkrant van Groningen. Enkele van je teksten gaan ook over het zwerversbestaan. Waar komt die fascinatie vandaan?

De zwervercolumns waren in eerste instantie bedoeld voor de Riepe. Dat wil niet zeggen, dat ze er geplaatst zijn. Ze zijn in de Foolcolor terecht gekomen, een tijdschrift voor en door psychiatrische patiënten. Ze zijn ook anders opgebouwd dan de Zwijnenberg verhaaltjes. Een tikkeltje beschouwend met dialoog van de twee zwervers Piet en Arie om het geheel te verlevendigen. Naast dat ik geheel Europa heb doorgefietst, een beetje zwerversbestaan dus, ken ik er ook een aantal. Je vindt er extreme opvattingen en doorgaans zijn ze dubbel gediagnosticeerd, dat wil zeggen en verslavingsproblematiek en andere psychiatrische problematiek. Piet en Arie drinken en kijken op hun manier naar de wereld. Af en toe komt er dan een ik om de hoek kijken, die ze gelijk geeft. Ik heb af en toe ook nog wel eens extreme opvattingen. Alle auto’s van de weg af. Ik noem maar iets, en dat kon ik prima kwijt in die stukjes.  Verder vond ik het erg leuk om de meest absurde combinaties in een column te gieten: zwerver en piano, zwerver en meloen, zwerver en politiek, zwerver en inteelt. Niet zo voor de hand liggend allemaal, en dan is het een uitdaging om er toch wat van te maken. Ik lees ze tegenwoordig voor in de programma’s ‘Rood’, ‘Reizen’ en ‘Op de koffie’ van de Tegenvoeters. Ze zijn in zekere zin tijdloos en dat maakt het makkelijker om ze ten allen tijde te kunnen voorlezen. De eerste twee programma’s hebben we ook gebundeld.

5.

Over de Tegenvoeters komen we nog te spreken, maar eerst wil ik graag weten wie Hubert Klaver is en wat hem beweegt om te schrijven en op de planken te staan.

Wie is Hubert? Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik ken hem in twee versies. Eentje is psychotisch, maar dat gebeurt zelden, en dan is ie complex en schrijft hij niet. En eentje is schrijver met een hoop humor en die zit dan vrij simpel in elkaar. Hij schrijft omdat hij er plezier aan beleeft. Niet zozeer om beroemd te worden en er dan veel geld aan te verdienen. Productie staat ook niet hoog in z’n vaandel. Hij heeft liever een goed boek, dan tien slechte. Hij, ik dus, probeert steeds nieuwe wegen te bewandelen. Als ik het goed begrepen heb willen uitgevers veel van hetzelfde, ik probeer steeds wat anders uit. Hoe lang me dat lukt dat weet ik niet, er zit ook een einde aan de thematiek. Zo zien de diverse columns er steeds anders uit en heb ik de verhaaltjes op de cd’s (Annie, een dame vol verrassingen en Rondom Annie) steeds zo verschillend mogelijk gemaakt. Ik ben dan benieuwd wat er in mij zit en hoop dat door middel van schrijven boven te halen. Ik sta graag op de planken. Vanwege de positieve reacties die ik erop krijg. Dat gebeurt natuurlijk niet altijd. Je moet ook tegen een stootje kunnen. Ik werd door Eisso Post -een schrijfdocent- het podium opgesleept en het bleek dat ik het daar goed deed. Daar had ik eigenlijk totaal geen notie van. Het is de stem, de monotonie, de droge, vaak absurde humor, het hoge verteltempo en ik speel geen theater. Misschien dat de luisteraar dat aanspreekt. Alhoewel, natuurlijk niet bij iedereen. Ik schrijf graag in brokjes van vijfhonderd woorden. Dan houd je overzicht en het is nog wel een keer af. Het leent zich ook goed voor het podium. De soap(Het Station) die ik onlangs geschreven heb, bestaat uit vijftig hoofdstukjes van vijfhonderd woorden. Ondanks dat ik niet dicht, word ik toch tamelijk veel gevraagd om mee te doen. Voor dichters wordt er van alles georganiseerd. Voor prozaschrijvers veel minder. Zo zit ik bij de dichtclub van café Marleen voor de afwisseling, want gedichten zijn nogal eens moeilijk te vatten en te verteren. Dan ben ik een welkome gast die even wat anders doet.

6.

Daar zeg je iets. Annie, een dame vol verrassingen. Wie is zij? En wat is zij in jouw leven?

Annie is de inconsistente personage. Tijdens schrijflessen op de schrijverschool in Groningen werd me door een docent gezegd, dat personages consistent moesten zijn. Dat wil zeggen: aan het begin depressief, dan aan het eind van het verhaal nog depressief. Nu ken ik manisch depressieve mensen. Wat moet je daar dan mee? Zelf kon ik in die tijd in een middag psychotisch worden en dan veranderde ik in een totaal ander mens. Vandaar dat ik dacht: Mensen zijn niet consistent en waarom zouden personages dat dan wel moeten zijn? Zo kwam ik op Annie, consistent in haar inconsistentie. Ik ben verhaaltjes gaan schrijven, die ik op allerlei vlak varieerde. Qua toon, perspectief, thema, genre, stijl en wat je zoal niet kunt veranderen. Niet systematisch trouwens, ik schreef waar ik zin in had. Idee was om eens te kijken wat er in me zat. Dit heeft geresulteerd in een groot aantal heel verschillende stukjes tekst.
Omdat geen uitgever aan zo’n experiment wilde, die willen blijkbaar veel van hetzelfde, heeft Kees Rietveld een aantal van die stukjes op cd gezet en hij componeerde er muziek bij. Dat heeft dan geleid tot de twee cd’s ‘Annie, een dame vol verrassingen’ (in de hoop dat de stukjes ook verrassend zijn) en ‘Rondom Annie’. We hebben ze zelf weer uitgebracht. De muziekjes zijn ook steeds anders en Kees heeft knap werk verricht. ‘Rondom Annie’ zijn verhaaltjes met personages uit de kennissenkring van Annie, familie en vrienden, die op zich ook weer inconsistent zouden kunnen zijn, dus ik kon eindeloos variëren. Familie en vrienden zeggen ook iets over een personage, vandaar dat ik ze erbij genomen heb.
Als reactie op het feit, dat geen uitgever er brood in zag, ben ik vaste typetjes gaan gebruiken als Mega watje, Zwijnenberg en Piet en Arie. Dat neemt niet weg dat ik enorme lol beleefd heb aan het schrijven van zo divers mogelijke stukjes. Steeds hetzelfde typetje wordt op den duur saai en niet leuk meer om te schrijven. Je raakt op een gegeven moment uitgekakt met zo’n personage. En dat doet Annie niet. Vandaar dat ik soms wel eens zit te denken om het weer eens op te pakken. Uitgevers hebben trouwens het liefst een roman, want dat verkoopt, en ik heb er wel eens eentje geschreven, maar daar heb ik nooit mee geleurd. Ook zo’n experiment, waar denk ik geen uitgever aan wil. Het beschrijft de aanloop van m’n eerste psychose, de psychose zelf en de nasleep met een open eind. Het is nogal beladen geschreven met een groot aantal metaforen. Beladen geschriften, ook dat wil een uitgever niet voor zover ik het begrepen heb. Die willen afstand, een bredere kijk, hoewel het er wel in zit. Vandaar al die onderkoeling in de Nederlandse literatuur, maar ik ben geen kenner. Tegenwoordig schrijf ik licht en luchtig. Zo evolueert het schrijven met je ontwikkeling mee.

7.

Licht en luchtig? Ik heb je een paar keer zien optreden. De blues spat ervan af! Verschuil je je achter de personages? Is Annie een vrouw die je lief hebt of juist vervloekt? En wat is er mis met uitgevers? Er worden toch prachtige boeken uitgegeven?

Wat voor muziekje ervan af spat, dat weet ik niet. Typisch Hubert zullen we maar zeggen. Je kent m’n eerste en laatste werk niet en daar zie ik toch duidelijke verschillen. De roman kenmerkt zich door zelfspot, metaforen, weinig dialoog, en is drukker, meer beladen en associatiever dan m’n laatste werk, de soap. De roman is ook autobiografisch, in de soap put ik m’n inspiratie uit een ontmoetingscentrum voor een aantal randfiguren in de samenleving. Volgens mij is het lichter en luchtiger geschreven en zit niet vol gemoedsuitbarstingen, die het leven van een psychootje moesten illustreren.
Ik verschuil me niet achter personages. Ze doen en laten een aantal dingen die ikzelf nooit zou doen. Ze gaan op den duur een eigen leven leiden en ze hebben ook een zekere ontwikkeltijd nodig. Ze zijn niet in een keer af. (hoe krijg ik accenttekens in de tekst?)
Waar ik me wel achter verschuil, of eigenlijk is het bittere noodzaak, is het gebruik van medicatie. De ware Hubert, als hem dat tenminste is zonder medicijnen, zul je niet zo gauw leren kennen. Dat kan ook niet, want volgens mij leidt dat tot zelfmoord of totale uitputting, waardoor hij het niet redt. Aangezien ik met pillen aardig lol in het leven heb, slik ik maar braaf.
Het maffe van Annie is, dat ze eigenlijk niet veel meer is dan een terugkerende naam en dat mensen zich dan toch een beeld gaan vormen wie ze is. Ondanks dat de verhaaltjes zo verschillend mogelijk zijn gemaakt, zit er toch een kern in, die Kees Rietveld omschrijft, als typisch Hubert. Er zit een soort eigenheid in. Welke precies dat weet ik niet. Ik weet wel, dat als ik aan het schrijven ben, dat het me dan zelf moet pakken, in de hoop dat een ander het ook pakt. Vaak is dat humor en lach ik mezelf dood. Van eindeloze beschrijvingen, zoals van een landschap, houd ik niet. Daarom weet ik ook nooit iets te maken van mijn fietstochten door Europa, hoewel sommige mensen wel eens gesuggereerd hebben om dat te doen. Gewone gedachten zijn vaak niet zo interessant. Wat moet een lezer ook met het feit, dat ik honger heb en waar ik dan wat eten moet zien te krijgen.
Op zich is er niks mis met uitgevers. Wel is het zo, dat er eigenlijk maar een handjevol mensen is die bepaalt wat voor leesvoer we voorgeschoteld krijgen. Gelukkig zijn er tegenwoordig moderne technieken die kleine oplages mogelijk maken. Je mag van een uitgever verwachten, dat je dan kwaliteit krijgt. Dat is wat anders dan dat het boek je aanspreekt. Wat is überhaupt kwaliteit? Van de drie grote die de laatste jaren overleden zijn, weet ik wel, dat ‘Onder professoren’ van Hermans van mij met een derde deel mocht worden ingedikt.
Ik lees niet zoveel. Er kunnen wel prachtige boeken uitgegeven worden, maar ik kan niet alles tegelijk. De soap is geschreven met als inspiratiebron een aantal mensen die ik vaak zie. Dat vraag tijd. Dan kan ik niet lezen. En ik kan ook niet lezen als ik aan het schrijven ben. Ik schrijf niet van acht tot vijf en lees dan die avond nog uit een boek. Dat wordt boekjeswijsheid.
Er kleeft een groot bezwaar aan het uitgeven in eigen beheer. Vaak word je niet serieus genomen als schrijver en er zal ook wel een hoop troep tussen zitten. Er zullen lezers zijn die mij ook als troep beschouwen. Het zal wel. Zelf heb ik het idee dat ik niet onderdoe voor bekende schrijvers. Daarvoor krijg ik te vaak positieve respons. En ik gooi mijn teksten meestal in de groep. Ook bij zeer belezen mensen. Als het echt niks is, dan krijg ik dat wel te horen. Het schijnt trouwens ook, dat je me moet horen. Dat geeft een extra dimensie. Ik kan daar zelf niet over oordelen. Lezers, die mij hebben horen voorlezen, lezen de tekst met mijn stem erbij. Dat schijnt anders te zijn. Misschien moet ik al mijn teksten wel inspreken om eruit te halen wat erin zit.

8.

Laat Hermans het maar niet horen! Wie zijn dan wel je inspiratoren? Regelmatig treed je op tussen dichters, o.a. met de tegenvoeters. Hoe verhoudt zich jouw proza tot het, toch dikwijls, zware genre binnen de poëzie?

Heb ik het nog niet over Harry gehad. Gerard spreekt me daarentegen erg aan. Ik heb me rot gelachen. Dat moet je ook niet willen nabootsen. Leuk zijn moet je sowieso niet bewust willen. Het schiet je te binnen of het schiet je niet te binnen.
Zoals ik al zei: ik lees niet zoveel. Wel heb ik twee keer een aantal boeken gelezen met een bepaald thema: De vrouw als lastobject en schrijvers die in de stad Groningen wonen of gewoond hebben. Het leuke is dan dat je op boeken komt van schrijvers die je om een of andere reden niet zo snel zult pakken. Even polsen bij kennissen, vrienden en vriendinnen wat er in het thema past. Inspiratie vind ik eigenlijk niet bij collega schrijvers, dat haal ik meer uit de gebeurtenissen, mensen, en dingen om me heen, wat folders van alternatieve therapieën bijv. of het journaal of een krantenartikel.
Wel heb ik veel gehad aan schrijfdocenten. Om iets te maken van hun opdrachten. Het is dan weer een uitdaging. Ook kom je op nieuwe stukjes in schrijfgroepen. Als er een thema bedacht wordt. Of een opdracht. Ik heb er in meerdere gezeten.
Met de Tegenvoeters is Paul Borgreve de dichter. Paul schrijft totaal anders dan ik. Hij is de brave kant van de Tegenvoeters, ik ben aanmerkelijk minder braaf. Paul schrijft licht en alles is op rijm. Hij wordt wel van rijmelarij beticht. Bij bepaalde mensen slaat het aan, bij anderen totaal niet. In ieder geval kunnen we goed samenwerken en zijn we elkaars tegengestelde. We geven elkaar evenveel tijd en zijn zus zingt werkelijk schitterend. Samen met de pianobegeleiding en de liedjes van Chris hebben we denk ik door de snelle afwisseling een goed programma.
Bij de Dichtclub van café Marleen zorg ik voor de afwisseling. Proza is doorgaans veel helderder en beter te volgen dan gedichten. Samen met een gastdichter en maximaal vijf minuten per dichter zorgen we voor de broodnodige variatie. En als er een pauze zit tussen de blokjes lijkt me het geheel goed verteerbaar. Misschien dat je dan niet alles meekrijgt, maar dat hoeft ook niet. Als ikzelf moet optreden heb ik altijd erg veel moeite met luisteren naar anderen. Ik krijg het allemaal niet zo mee, maar de sfeer, de gesprekjes na die tijd en het pilsje achteraf bezorgen me altijd een leuke avond. Nadeel is wel dat proza veel tijd kost. Dat los ik op door van langere stukken de eerste twee hoofdstukjes te doen bijvoorbeeld. En korte stukjes te schrijven waar ik er erg veel van op voorraad heb. Een aantal kan ik daar gewoon niet doen omdat ze te lang zijn en een te volgen fragment niet te isoleren is.

9.

Reve dus! Wat onderscheidt zijn werk van de andere grote twee? Heeft Reve je beïnvloed? En zo ja, hoe en waardoor?

Alleen die term al: De grote drie. Wie bepaalt dat eigenlijk? Ik heb nooit een literatuurstudie gedaan, maar misschien was ik wel op totaal andere namen gekomen. Van die paar boeken die ik gelezen heb kun je geen gefundeerd oordeel verwachten. Om iets zinnigs te zeggen over iemands oeuvre moet je eigenlijk al het werk bekijken. Mulisch heb ik eens terzijde gelegd met het argument van moeilijkdoenerij. Ook van Hermans heb ik een boek nooit uitgelezen. De titel vond ik prachtig: Ik heb altijd gelijk. Als ik dweepziek was geweest had ik denk ik alles van Reve gelezen en verzameld, maar dat ben ik niet. Kenmerkend vond ik, dat je nooit wist wat je aan hem had. Is ie nu serieus of niet? Of hij me beïnvloed heeft? Ja, misschien dat ik nu graag katholiek wil worden.

10.

Volgens Reve geen duur geloof! Ter afronding, brand los…

Ik begrijp de vraag niet. Verrek, nu krijg ik weer die sensatie dat ik bestuurd word.
Hey, tante Julia. De herdertjes lagen bij nachte! Ave Maria.
Die Reve, die wist nog niet, dat er een onderzoek naar de katholieke kerk zou komen over ontucht met kinderen.
Hoe sterk is de eenzame neuker die kromgebogen over een kont, tegen een wind, zichzelf een weg baant?
Ave Maria, tante Julia. Ze lagen bij nacht in het veld. Ze hielden vol trouwe de wachte. En hadden de schaapjes geteld.
Lang genoeg serieus geweest. De eenzame neuker. Een titel voor een volgend verhaal?

Jan Holtman in gesprek met Hubert Klaver