1.

Dag Delphine. Na Blinde gedichten (2012) alweer een kloeke pil. Schachten en amuletten, waarvoor dank. Op het omslag kruisen je naam en de titel elkaar als geslepen degens. Een afbeelding ontleend aan Le songe de Saint Joseph. Hoe gaat het? Wat is er aan de hand?

Hallo Jan! Wat heb ik lang nagedacht over ‘Schachten en amuletten’, het tweede deel van mijn poëtische trilogie. Over de volgorde van de gedichten, bedoel ik. Slapeloze nachten, korzeligheid, jeuk, zelfhaat, misantropie… En hoewel het uiteindelijk gelukt is om een sterke bundel (if I do say so myself) samen te stellen, en hoewel ik tevreden ben over mijn boreling, vind ik het nog altijd moeilijk de bundel open te slaan, laat staan erin te bladeren…Maar dat heb ik na elk gepubliceerd boek; alsof het niet meer helemaal van mij is, alsof ik helemaal opnieuw moet beginnen. Wat tegelijkertijd zalig en ontmoedigend is.
Ik vind dat ik nu vooral niet op mijn lauweren mag rusten, ik moet nu meer gedichten schrijven én betere. Van 7u ’s ochtends tot 19u. Zonder digitale verstrooiingen, zonder overdadige zelfbevlekkingen, zonder koolhydraatrijke lunchpauzes. Het klinkt haast calvinistisch. Het is genadeloos Spartaans.
Streng, ik zal streng blijven waken over de kwaliteit van mijn schrijfsels.
De afbeelding op het omslag is van Georges De La Tour. Ik kwam van Kaapstad (mijn allereerste vliegreis, ik mocht daar knullig voordragen in een ruige universiteit, opgezette hazen zijn niet universeel hilarisch), en ik had 1 gemiste oproep op mijn GSM die in Zuid-Afrika waardeloos was: een gemiste oproep van de grafische vormgever van De Bezige Bij (Gert Dooreman).
Dus heb ik op de luchthaven van Zaventem teruggebeld en geprobeerd uit te leggen welke sfeer ik wilde voor de kaft: mysterieus pervers was wat ik wilde. En ik heb het gekregen. Een jong meisje reikt naar de keel van een oude man. Is het teder en/of moordzuchtig? Is het incestueus? Is het zijn redding? Is het haar genezing?
Ik wil graag gezien worden, Jan! Het zal nooit lukken als ik niet schrijf, besef ik. En het zal overslaan in misprijzen als ik hetzelfde blijf schrijven. Daarom probeer ik nieuwe dingen; ik waag mij nu zelfs aan vormvaste gedichten af en toe!!
Maar nee wacht, ik blijf trouw aan mijn touwslagers, imkers, ezeldrijvers en profetische teckels. Tot spijt van wie het benijdt volhard ik in de zogenaamd absurdistische, surrealistische ‘écriture automatique’. Het is natuurlijk geen bandwerk. Soms is het manisch, dan weet ik dat ik voorzichtig moet zijn; niet alles van die manische episoden is bruikbaar materiaal (toch ben ik blij dat ik die episoden mag meemaken, en dat ik een onorthodoxe huisarts heb die ze zonder farmacologische interventie toelaat, bless him). Heel vaak zijn mijn gedichten evenwel de vruchten van ascetisch, gedisciplineerd werk.

2.

Wat maakt het zo moeilijk om door je eigen werk te bladeren? Heeft het met de trouw aan de ezeldrijvers, imkers, touwslagers, etc te maken?

Wat het moeilijk maakt om door mijn bundels te bladeren is dat ik niets meer kan wijzigen! En dat ik soms woorden tegenkom die weerstand oproepen, woorden die mij tijdens het schrijfproces wisten te verleiden, maar die ik plots wanneer ik mijn bundels herlees bijna als vreemd of irriterend ervaar.
Bovendien vind ik het ijdel en verachtelijk om uitgebreid in eigen werk te bladeren.
Verder wil ik iedere dag een tabula rasa, een nieuwe kans om beter (Nobeler? Zachtmoediger? Speelser?) te worden als schrijver, maar ook als buur/dochter/zus/dierenverzorger/partner van Omer de oude kruisboogschutter.
De verknochtheid aan de ezeldrijver is authentiek (autobiografisch, misschien zelfs sentimenteel); het is een personage dat ik nog een tijdje wil ‘gebruiken’, zowel in mijn verhalen als in mijn gedichten.
De imker en de touwslager heb ik voldoende uitgemolken. Ik kan niets meer met hen aanvangen.
Ze ogen dof, pafferig en suïcidaal…

3.

Vorig jaar sprak ik naar aanleiding van Blinde gedichten over een trucje dat geen trucje bleek. Laten we het een stijl noemen, die maffe beroepen en bijvoeglijke naamwoorden. Daardoor ontstaat een beeld van de dichter. Kleptomaan, paranoïde, branieschopper, eeuwig onschuldig, stampvoetend meisje… Maar in hoeverre klopt dat beeld met de werkelijkheid?

Eeuwige onschuld? Hoe lang kan een mens dat volhouden in deze smerige, gemelijke, cynische, krachtpatserige wereld??
Ik weet niet of ik onschuldig ben; ik heb mijn vader gisteren vermoord met een schuimspaan. En diezelfde dag mijn moeder met een stemvork. Het was bovendien niet de eerste keer; ik heb mijn ouders al op de meest fantastische wijzen om het leven gebracht in mijn verzen.
En nog erger: ik heb hen genadeloos geportretteerd, met al hun onvolmaakte gênante psychomotorische gedragingen, hun wonden, hun prothesen, hun zweren, hun doorns uitgestald.
Maar dat niet los geraken van mijn ouders is waarschijnlijk de reden waarom ik kinderlijk blijf, of alleszins zo overkom.
Mijn weigering/onvermogen om deel te nemen aan de maatschappij helpt ook om de argeloosheid te bewaren. Ik mijd kille, kapotte mensen; en omring mij met fantasten en troubadours.
Ik zal nooit volwassen worden; niet omdat ik het schattig of guitig (ik huiver van dat woord) vind om onvolwassen te zijn, maar wel omdat ik hier in mijn eigen universum volledig vrij ben om buitensporig inconsequente gedichten te schrijven, zonder mij zorgen te moeten maken over mijn ‘literaire toekomst’.
Ik heb geen literaire toekomst. Ik heb vandaag. Vandaag schrijf ik een gedicht over een slapeloze onderwaterlasser die meer houdt van zijn kameleon dan van zijn vrouw, je kunt hem dat niet kwalijk nemen; zijn vrouw is bitsig en bleek, de kameleon daarentegen neemt de kleuren aan van de drukke Scandinavische kersttruien die de jongste (rolstoelgebonden) zoon van de onderwaterlasser zo graag draagt.

4.

Goed, geen eeuwige onschuld, geen trucje, geen stijl, maar ergens schrijf je ‘Ik kan niet ontsnappen aan mijn kunstjes.’ Elke regel een hoofdletter. Je dendert maar door. Wat zijn je kunstjes? Wat is jouw poëtica?

Mijn poëtica is een kapotte boiler. Dat is geen boutade, Jan!
Ik heb tien jaar geleden beloofd aan mijn mentor (een blinde ex-stierenvechter) dat ik nooit het afgrijselijke woord ‘poëtica’ in mijn mond zou nemen.
Mijn poëtica is dat ik geen poëtica heb. Ik zal mij nooit aansluiten bij dichtersverenigingen en/of andere clubjes, kliekjes (niet dat ik gevraagd word! Ik word nooit gevraagd blah!!).
Onlangs werd ik in Tilburg geïnterviewd door een hele charmante Tilburger Lukas Meijsen genaamd, en toen hadden we het ook over mijn (al dan niet) bestaande poëtica. En toen zei ik dus ook: ‘Ik heb geen poëtica, Lukas! Mijn poëtica is een kapotte boiler.’
Waarop Lukas op de proppen kwam met de ontslagbrief die ik heb geschreven toen ik na enkele maanden het stadsdichterschap van Damme voor bekeken hield:

De stadsdichter van Damme neemt ontslag!!

Door Delphine Lecompte

Mijn ideeën worden systematisch afgeketst: ‘Gedichten op de korsten van Damse kazen?’, ‘Gedichten op de flanken van runderen?’, ‘Gedichten op de wielerpetten van seniele coureurs?’, ‘Gedichten op de brooddozen van zesjarigen die leren lezen?’, ‘Gedicht op het geboortekaartje van het eerste kleinkind van de schepen van Noordzeebevuiling?’ enzovoort… Elke keer opnieuw is het antwoord: ‘Daar hebben we geen budget voor.’

En met die schamele 500 euro (voor 4 gedichten én 4 voordrachten) kan ik zelf niets op poten zetten. Het is net genoeg geld om mijn muze op paling te trakteren in een Dams restaurant, op voorwaarde dat hij geen dessert neemt, en ik mij beperk tot filet américain met frieten (toegegeven: frieten à volonté), maar ik zal mijn pijlen niet richten op de Damse middenstand..
De cultuurdienst van Damme vindt poëzie een gênant verschijnsel, vooral wanneer het gedichten betreft die niet rijmen. Ze willen kunnen zeggen: ‘Wij zijn een boekenstad en dus hebben wij een stadsdichter!’ En daarna hopen ze vooral dat die stadsdichter zo weinig mogelijk van zich laat horen. Ze mag af en toe een sympathiek middelmatig gedicht over een sympathieke middelmatige kermiskoers schrijven, en op 11 juli een zo neutraal mogelijk feestgedicht declameren, en uiteraard moet het obligatoire op Tijl Uilenspiegel-geïnspireerde gedicht geschreven worden.

Want Tijl is nog steeds de belangrijkste bron van inkomsten voor dat kneuterige incestueuze gehucht waar pannenkoek-verslaafde parvenu’s de plak zwaaien. Waar de schepensjerp wordt overgedragen van vader op zoon, waar goedgemutste en kortgerokte dilettanten op handen worden gedragen, waar de keizer geen kleren draagt.

Daarom neem ik ontslag: na 2 burleske gedichten die ijzig sceptisch werden onthaald, en wat erger is: dit waren de enige twee gedichten in mijn leven die ik niet graag heb geschreven.

Ik ben geen marionet, ik wil geen opdrachtgevers. En al helemaal geen gierige verbeeldingsloze opdrachtgevers.

Dit is geen hoogmoed; ik schrijf te graag om mijn gedichten in een keurslijf te dwingen. Het is waarschijnlijk te dramatisch om te zeggen dat ik mijn ziel niet wil verkopen.

Ik wil mijn ziel niet verkopen. Ik vind authenticiteit en integriteit belangrijk. Noem me gerust ouderwets.

Leve Frank Adam! Leve Jacob van Maerlant! Leve pannenkoeken met chocoladesaus! Leve astronomische budgetten voor alle stadsdichters van de wereld! Leve nooit meer stadsdichter zijn! Ik verlaat Damme zonder pek en veren.

En inderdaad, daar komt het op neer: ik wil mijn gedichten niet in een keurslijf dwingen. Ik wil geen bazen die brave sonnetten van mij eisen. Ik wil gewoon in mijn grot blijven wonen en ontregelende gedichten krabbelen op de wanden. Meer is het niet. Het is paradijselijk!

5.

Goed, een dichter zonder poëtica, zonder vereniging, club of kliekje. Dan moet er toch ergernis zijn omtrent collega’s die zich daar wel schuldig aan maken. Zijn er dichters die hun ziel verkopen? Zijn er dichters die aan kliekvorming doen? Waar? En wie zijn het?

Goed geprobeerd, Jan!
Natuurlijk zijn er dichters die het nodig vinden/nodig hebben om zich te vertonen in de ‘juiste’ cafés en op de ‘juiste’ sites, maar ik kan mij daar niet echt aan ergeren. Zulke schrijvers, die het moeten hebben van nepotisme en banden met cultuurcentra en associaties met andere (grotere) schrijvers of redacteurs, vallen vroeg of laat door de mand.
Laat ons niet vergeten dat er ook ondubbelzinnige waardering en wederzijdse affectie tussen dichters bestaat. Daar kan ik enorm van genieten. Ik ben pijnlijk verlegen, maar ik ben er toch in geslaagd vriendschappen te smeden met een heleboel dichters, Belgische dichters en Nederlandse dichters. En 3 Zuid-Afrikanen.
Dus nee, Jan: ik ga niet kwaadspreken over de dichters, zelfs niet over de corrupte dichters..
Ik woon in Brugge, een strategisch zeer oninteressante plaats voor de poëzie volgens…
Ik heb niet de juiste vrienden in het literaire milieu, ik heb geen connecties, ik heb geen macht.
Wat ik heb is de vrijheid om bruggen op te blazen; ik hoef geen rekening te houden met lange tenen.
Anderzijds: ik ben geen polemist, ik hou niet van twist, en ik probeer gul te zijn. Als ik dichters kan bewieroken (in een interview, na een voordracht, of gewoon privé) dan doe ik dat met de nodige geestdrift.
Daarom: allen naar de betere boekhandel om ‘Vluchtautogedichten’ van Maarten van der Graaff, ‘Uitzicht is een afstand die zich omkeert’ van Bernke Klein Zandvoort, ‘We zijn al lang onderweg’ van Jasper Mikkers, en alles van Ester Naomi Perquin en Emma Crebolder te kopen! Hop!!’

6.

Duidelijk, je hebt, om met Reve te spreken, een winkel. (Koopt Nederlands waar, dan helpen wij mekaar). Ik zal er niet over doorzagen. Nu-ja, nog even dan. Menno Wigman zegt over je laatste bundel: “Wie Lecompte leest weet weer waarom poëzie een wonder is. Ik heb jaren op deze dichter gewacht.” Over je vorige bundel Blinde gedichten was hij minder lovend. Hoe heb je hem bewierookt?

Je hebt een winkel??
Ik heb geen idee waar je het over hebt… De dichters die ik vermeld zijn schrijvers die ik graag lees. Ze kunnen niets voor mij doen. Ik ben geen opportunist; ik begrijp totaal niet waar je dat idee vandaan haalt.
Oh en dan die vraag over Menno? Hij houdt van mijn gedichten, dat is alles. Ik heb niet moeten stropen, paaien, slijmen, lijmen.. ‘Minder lovend over Blinde gedichten’?? Waar haal je dat?! In Tirade was hij uiterst lovend over Blinde gedichten.
Met andere woorden: interview afgelopen.

7.

Dit was nou ook weer niet de bedoeling. Een verrassend, ietwat abrupt einde. Wat Menno betreft: Vorig jaar schreef je me dat hij had beweerd dat je bundel zeer binnenkort in de ramsj zou liggen, vandaar. Maar van opportunisme heb ik je toch niet beticht?
Veel succes morgen in het kerkje van Westhim. Ik heb kaarten besteld!

Jan, sorry!!!!!!!!!!!!!
Ik heb overdreven emotioneel gereageerd: ik ben soms te achterdochtig, en bang, en onzeker…
Ik ben blij dat je morgen komt met Janet!
Leve Reve!!
Maar dat heeft Menno nooit beweerd over Blinde gedichten, en ik heb ook nooit geschreven dat hij iets dergelijks heeft beweerd?!!
Dat is een misverstand. Dat is ‘Misverstand’. Een magistraal gedicht van Menno Wigman uit ‘Zwart als kaviaar’ (Uitgeverij Bert Bakker).

Misverstand

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en ’s nachts – een h e e l k u n s t is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Ik keer nog even terug naar mijn emotionele (defensieve, paranoïde) reactie op jouw onschuldige (?) vraag: ik lees iedere dag gedichten. Ik lees dode dichters en levende. Suikerzieke dichters en Poolse. Stokoude dichters en vroegrijpe. Blinde dichters en winderige. En ik geef graag dichtbundels cadeau. Ik wil anderen besmetten met mijn geestdrift. Ik wil graag dat heel veel mensen mijn gedichten lezen. Maar ik wil ook dat ze Jellema, Snoek, Elmar Kuiper, Dennis Gaens, en K. Schippers lezen. In mijn ideale wereld is Poëzie vanzelfsprekend!! En levensnoodzakelijk. Dat is ze ook, dat is ze al.
En dan nu Friesland… Stel eens een vraag over Westhim (=Westhem)! Ik zal je dankbaar zijn.

8.

Westhim, onder de rook van Greonterp. Je voordracht op 28 juni in het Bartolomeus-kerkje op de terp aldaar, in gezelschap van Elmar Kuiper, Ellen Deckwitz en Gerrit Breteler. Wat ging er door je heen?

De zenuwen gierden door mijn lijf.
Ik had voordien wel wat haastig gegoogel verricht, en een boek over de mores van Workum (waar ik mocht logeren) gelezen, toch voelde ik mij verzeild geraakt in een parallel universum.
Maar dat gevoel heb ik altijd als ik verder dan Tilburg mag voordragen. Het blijft bevreemdend.

Tot mijn grote verbijstering zat de kerk (‘het Bartolomeus-kerkje’) vol. Vol ontvankelijke en gastvrije Friezen bovendien, die op de juiste momenten lachten met mijn gedichten.
Na mijn voordracht kwamen er een heleboel mensen op mij af met adoptievoorstellen en huwelijksaanzoeken. Fijn, verleidelijk, ik houd ze in beraad (de adoptievoorstellen).
Dat voordragen van mij: het heeft altijd heel wat voeten in de aarde (= eczeem, paniek, achterdocht) om mij ergens buiten West-Vlaanderen te krijgen, maar het sop is bijna altijd de kool waard.
Zeker in Westhim (= Westhem) was dat het geval; ik had het er ook over met Ellen en Elmar, dat het enorm aanstekelijk is om andere dichters te horen voordragen, en om nieuwe ervaringen op te doen.
Ik dreig mij soms te verliezen in dwangrituelen en zelfkastijding; alleen al daarom (als tegengif) is het goed om te reizen, te spreken, en te luisteren.
Zonder Omer zou het niet lukken, moet ik bekennen. Zonder xanax misschien, maar zonder de oude kruisboogschutter? Nee, dat nooit (meer).
En nu zit ik dus opnieuw met een open blik aan mijn schrijftafel. Met een verruimde, opgeruimde geest. En sinistere weetjes over oorijzers, over boerenpunk, over de vestimentaire inclinaties van Guido Gezelle’s moederken, over gevilde patroonheiligen, over uitgekraste titels op grafstenen en over de dieetvoorkeuren van Friese snoeken.

9.

O-ja, er is je nog een verblijf te Eernewoude op de voormalige woonboot van de Friese schrijver Rink van der Velde (1932-2000) in het vooruitzicht gesteld. Ken je de schrijver? En wat klopt er van dit verhaal?

Oh, Rink heeft dezelfde geboortedatum als Omer!
Ken ik Rink van der Velde? Nee, nog niet. Maar ik zal zijn boot niet betreden vooraleer ik het volledige oeuvre van Rink uit mijn hoofd in het Fries ken!!
Toen Eeltsje Hettinga mij overviel met dat voorstel om drie weken te komen schrijven en leven in een woonboot, heb ik meteen toegehapt. Omdat ik er vast van overtuigd was dat het zo’n typisch voorstel was dat ontstaat in de roes van een eerste kennismaking tussen dichters..
Maar, lo and behold, ik was nog niet goed en wel terug in Brugge of daar kreeg ik al een mail van Eeltsje met de vraag of ik na de initiële roes en de impulsieve toehapping nog steeds geïnteresseerd was in een verblijf op de boot??
Ellen Deckwitz is ook uitgenodigd. En de oude kruisboogschutter mag mee om snoek te vangen.
De inwoners van Eernewoude willen ons bovendien verwennen met oranjetaart en andere Friese delicatessen, zo verzekerden ze ons na de voordracht!
Zo’n boot in het hol van Pluto, dat klopt volledig; ik ben verzot op water, ik ben van de zee, ik ken het kustcrapuul, en ik draag ze een warm hart toe, maar mijn schoolslag is abominabel.
Als ik moet kiezen tussen een val of een verdrinking, dan weet ik het wel.
Mijn vader heeft mijn moeder ooit geprobeerd te wurgen op een Bretoense feestboot (het was hun huwelijksnacht). Dat verhaal kan ik dan ook eindelijk verwerken…
‘It is myn sizzen net.’

10.

In mijn badpak vergeet ik te verdrinken, luidt de titel van je openingsgedicht in Schachten en amuletten. Het gedicht springt er wat mij betreft uit. Alleen al vanwege de volgende regels:

Maar ik ben te ver afgedreven
Om haar in verlegenheid te brengen
Ze is zo mooi
Dat je hoopt dat ik verdrink

Glad ijs, maar het lijkt alsof er meer gevoel in ligt, alsof er een realistischer beeld van een werkelijkheid beschreven wordt?

We blijven nog even in het water ronddobberen; schitterend plan!
Zowel het openingsgedicht als het slotgedicht zijn puur autobiografisch, zonder nood aan groteske afwijkingen en/of surrealistische vluchtroutes.
Maar je wil het over het openingsgedicht hebben, waarin ik zo rauw en melancholisch (een dag uit) mijn relatie met de oude kruisboogschutter beschrijf. Alles zit erin: het lichamelijk verval (de wachtkamer), het vroegrijpe kind, de lijdende ezeldrijver, zelfkastijding, zon, zee, verveling, anorexia, religie, geld…
En inderdaad vooral mijn complexen; mijn angst dat mijn geliefde ervandoor zal gaan met een lenigere, mildere vrouw. Een mooiere vrouw, een vrouw zonder jeuk, een vrouw zonder verstikkingsfobie, een vrouw zonder giftige pen.
Nochtans draagt Omer mij op handen…
Nu heb ik het gedicht herlezen; wat kan ik zeggen?! Ik weet nog dat ik het op een druilerige dinsdag in juni (2011) heb geschreven. Als ik dat nog weet (de dag, het weer), dan is het vaak een waardevol gedicht.
Wat heet waardevol?
Omer en ik zijn vaak gelukkig hoor! Ik bedoel: als koppel. Omer is sowieso altijd optimistisch en opgewekt (’s ochtends is dat vreselijk irritant); hij staat op en houdt van het leven. Hij staat op om te houden van het leven, speciaal om de dag te plukken wordt hij wakker!!
Ik daarentegen: ik heb enkele uren nodig om de misantropie en chagrijnigheid van mij af te schudden. (en dan is het alweer bedtijd)
Maar de oude kruisboogschutter helpt mij om luchtiger door het leven te waden. Soms doe ik alsof het lukt; alsof ik echt luchtiger (frivoler) ben geworden. Helaas, nee, daar heb ik geen talent voor…
Toch voel ik mij vaak oprecht gelukzalig wanneer ik naast Omer zit (in zijn keuken, in de trein); het klopt, we horen bij elkaar.
Dus kwel ik mijzelf niet langer met de gedachte: ‘Hij verdient beter…’
Omer heeft gekozen, en hij is heel standvastig.
Het slotgedicht vind ik eigenlijk nog beter dan het openingsgedicht! Ja: ik vis hier schaamteloos naar een vraag over het slotgedicht, Jan!!

11.

Aardig geprobeerd, maar we blijven nog even bij dit gedicht en stappen niet over naar de surrealistische gedichten (vluchten?). Het is een ander gedicht. Chrétien Breukers schrijft erover: “Lecompte gaat, al dan niet bewust, weg van het surrealisme en kiest de weg van alle grote dichters: die waarop de zang het overneemt en de taal haar eigen baan gaat.” Hoe zie jij dat?
En mag ik het gedicht, voor de leesbaarheid, in dit interview opnemen?

You’re so harsh!!
Die analyse van Chrétien (hij heeft voor Staalkaart mijn gedicht ontleed) heeft mij heel gelukkig gemaakt; het gebeurt zelden dat mensen (=recensenten) mijn gedichten zo lang bestuderen, en er een dergelijk interessante visie op presenteren. Ik ben hem daar dankbaar voor.
Ging het maar altijd over mijn gedichten..
Akkoord: ik heb het zelf in de hand gewerkt; mijn oeverloos geklets en gezwets over kleptomanische neigingen, psychiatrische opnames, drankmisbruik, verzonnen biografieën, mijn vermaledijde ouders, mijn stokoude muze…
Pas op, ik vind het niet erg dat ik zo openhartig ben geweest. Ik schaam mij niet, maar ik denk wel dat ik daarover uitgepraat ben. In interviews althans. In mijn gedichten zelf blijf ik mijn kwellende ouders en mijn knellende angsten tentoonspreiden. Omdat het nodig is. Maar vooral omdat het geestig is.

Terug naar mijn gedicht, het openingsgedicht, want over het slotgedicht (waarin ik afscheid neem van mijn grootvader van De Panne, de onverzadigbare sater die mij heeft leren lezen, garnalen pellen en drinken): neem het gerust op, een prima idee! Een puik idee, zeggen jullie, geloof ik?!
Vraag me toch niet mijn eigen gedichten te analyseren; ik kan dat niet, ik wil dat niet kunnen. Mijn gedichten ontstaan instinctief en impulsief. Plots zijn ze er. Ze verschijnen. In een soort roes van uithongering, extase en zelfloosheid. Ik ben een dichterlijk doorgeefluik.
Stop me voor ik te esoterisch wordt!!!

12.

Het is je beste gedicht. Punt uit.

IN MIJN BADPAK VERGEET IK TE VERDRINKEN

Buiten regent het in goudvisvijvers
Je zegt dat het normaal is
Dat ik bang ben van mijn eigen schaduw
In een ver buitenland waar yoghurt
Om te genezen niet verkrijgbaar is
Wanneer je het kaartspel uit je binnenzak haalt
Is het mijn beurt
Ik wil dat je in de wachtzaal blijft.

Na de bloedafname zetten we de bloemetjes buiten
Maar na drie attracties zijn we de kermis beu
We wandelen naar het strand
Een problematisch kind verkoopt papieren dieren op de dijk
De walvis is duurder dan het edelhert.

Ik zwem in het badpak van mijn tienjarig lijf
Je zwemt niet mee
Je zit gekleed als een calvinist op een handdoek
De vrouw van de ezeldrijver steelt je zakhorloge
Maar ik ben te ver afgedreven
Om haar in verlegenheid te brengen
Ze is zo mooi
Dat je hoopt dat ik verdrink.

’s Avonds eten we staand in onze hotelkamer
Ik trek de pleister van je hiel
Je bent kwaad
Omdat ik te traag heb getrokken
En je strijkt het edelhert plat als wraak.

Jan Holtman in gesprek met Delphine Lecompte