1.

Dag Joost. Dank voor je bundel De stort en proficiat met je benoeming tot stadsdichter van Groningen. Hoe ga je dat ambt invullen?

Dag Jan. Ik hoop dat ik dat ambt met veel enthousiasme en plezier kan gaan invullen. Met nieuwe, originele ideeën en een duidelijke nadruk op het bereiken van jonge mensen. Maar bovenal met een hele hoop goede gedichten en een grote dosis vrolijke rebellie in de plannen die ik ten uitvoer breng. Het mag allemaal wel wat losser, minder braaf en recalcitranter, want dat is toch waarin Groningen zich kan onderscheiden van andere steden in Nederland. Hier durven mensen net één stapje verder te gaan. Dat wil ik ook terug laten komen in mijn stadsdichterschap. Ik wil projecten gaan doen waar vanaf straalt dat ze met humor en lef tot stand gekomen zijn. Net als mijn eerdere projecten zoals het stoepkrijtpoëzie-project dat ik deed als huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen en Kantoorpoëzie, een podium dat ik zonder hulp van subsidieverstrekkers of gevestigde podia organiseer in het anti-kraakpand waar ik een kantoortje huur.

2.

Goed om te horen dat je jonge mensen wilt bereiken. Met 22 jaar ben je wellicht de jongste stadsdichter van het land. Maar hoe ga je dat doen? Wat zijn die originele ideeën?

Ha, ik ben niet de jongste stadsdichter van het land. Heerlen heeft bijvoorbeeld Amber-Helena Reisig, die is nog jonger. Maar ik heb meerdere ideeën. Er worden binnenkort gedichten van mij verfilmd, ik ga meelopen in het ziekenhuis en later met politie en brandweer om daar gedichten over te schrijven en ik heb onlangs gesproken met een bevriende pyrotechnicus over een echte poëzieraket die we willen bouwen. Ach, en er zijn nog talloze oude ideeën die ik ook misschien nog ga uitvoeren. Ik had ooit het idee toen ik nog RUG-huisdichter was om samen met de RUG een laser te bouwen die een gedicht van mij op de maan kon projecteren. Dat schijnt technisch mogelijk te zijn, maar ik had daar helaas toen geen tijd meer voor. Misschien kan het nu.

3.

Het eerste gedicht op de maan? Dat klinkt ambitieus. Is de maan al niet mooi genoeg?

Liefhebbers kunnen je werk toch ook gewoon kopen? En wat moet ik me voorstellen bij een poëzieraket?
Natuurlijk kunnen mijn liefhebbers mijn werk ook gewoon kopen. Maar dat is voornamelijk leuk voor die liefhebbers en de uitgever. Niet zozeer voor mij. Ik moet er ook nog lol aan houden. Het afschieten van een raket met poëziepamfletten erin, die na ontploffing van die raket over de stad dwarrelen, lijkt me een goed voorbeeld van het verspreiden van poëzie binnen de stad en een grote lading plezier voor mij. En natuurlijk hoop ik ook met dit soort projecten een publiek te bereiken dat normaal weinig met gedichten te maken krijgt. Dat ‘zendingswerk voor de poëzie’ is belangrijk voor een stadsdichter.

4.

In je debuutbundel De Stort open je met het gedicht De jonge dichters van eeuw nummer 21. Wie zijn die dichters? Waar vind je aansluiting?

Grappig dat je hier naar vraagt. Dit gedicht is namelijk een antwoord op een gedicht dat Erik Harteveld ooit heeft geschreven. Het gedicht ging erover dat alle jonge honden eens moesten ophouden met de aandacht op te eisen en eerst maar eens de kunst moesten afkijken bij de dichters die al geruime tijd in het vak zaten. Daar was ik het niet mee eens.
Ik wilde een gedicht schrijven voor alle dichters die op de dezelfde manier de poëzie ervaren zoals ik dat doe. Als een groot, open avontuur. Wat dat voor mensen zijn? Tja dat staat nou net in het gedicht. Maar het gaat vooral om mensen als Willie Darktrousers, Daniël Vis en de jonge dichtersscene die nu in Groningen aan het ontstaan is.

5.

Een nieuwe stroming? In hetzelfde gedicht schrijf je: Hij bezit opnames van oudere dichters die hij de wandelstok zal ontnemen. Wil je een stroming ten val brengen? Wie wil je de wandelstok ontnemen en waarom?

Ik heb lang na moeten denken over een antwoord op deze vraag. Het is niet zozeer dat ik strijd tegen een stroming. Het is volgens mij überhaupt niet mogelijk om binnen het hedendaagse Nederlandse poëzielandschap van duidelijke stromingen te spreken. Nee, waar ik tegen strijd is een zekere lamlendigheid binnen het gehele veld. Er is vrijwel geen dichter meer die een groot avontuur durft aan te gaan. Niet meer in hun werk en niet meer in hun levensstijl. Dit vind ik jammer. Het hoeft heus niet zo te zijn dat elke dichter zeer meeslepend moet leven, maar iets meer lef binnen de poëzie zou ook de poëzie als geheel vooruit helpen. Niet elke poëzieavond hoeft gepaard te gaan met koekjes, thee en moeilijk kijkende mensen. Dat gebeurt me nu te vaak.

6.

Nu ja, de maximalen o.l.v. o.a. Diana Ozon probeerden in de jaren tachtig vernieuwend te zijn. Deelder, Van Doorn, en anderen gingen hen in de jaren zestig al voor. En nu is er de slam-generatie. Niet zelden doen met name jonge dichters hun best zich met veel lawaai in de picture te werken. Hoe zie jij deze ontwikkeling? Waar sta jij? Wat is jouw poëtica?

Leuk hè, al die pogingen tot vernieuwing waar nooit iets van terecht komt. Ik doe daar zelf ook vrolijk aan mee. Misschien niet zozeer met de slam-generatie, maar ook ik heb altijd mijn mond vol over vernieuwing, jonge generaties en de jeugd die nu maar eens aan het woord moet komen. Ik weet donders goed dat dat allemaal al eens eerder is gezegd en geprobeerd en dat het allemaal toch niet wordt overgenomen, maar gelukkig is dat ook helemaal niet mijn doel. Ik doe mee aan de draaimolen van vernieuwing omdat er een zekere energie, een grote ambitie in schuilt. Die energie spreekt mij aan, zonder dat ik het idee koester dat er ook daadwerkelijk iets te veranderen valt. Ik ben jong, dus schop ik om me heen, maar dat doe ik omdat ik het plezieriger vindt om me zo te gedragen, niet omdat ik daadwerkelijk wat denk te veranderen. Het is voornamelijk spielerei. En een eigen poëtica? Ik heb jarenlang als muzikant gewerkt en in die tijd moest je gewoon elke stijl, elk genre kunnen spelen, voordat je aan de slag kon met een eigen geluid. Ik meen dat dat streven (het beheersen van een kunstvorm over de hele linie voordat je aan iets eigens kunt beginnen) te weinig in de poëzie voorkomt. Ik ben mezelf nog aan het trainen, dus een sluitende poëtica kan ik je nog niet leveren. Hoewel ik natuurlijk wel bepaalde dingen mooi vind en daar ook naar schrijf, maar die oordelen maak ik over het algemeen intuïtief.

7.

Goed, terug naar je bundel De stort. In deel 1 komt regelmatig een woningbrand voorbij. Voorts lijkt er een fascinatie voor waardeloze, dan wel nutteloze materie te zijn waardoor er een weemoedige kijk op de dingen, de maatschappij ontstaat? Verklaar je nader…

In mijn bundel draait het niet alleen om een woningbrand, maar om het hechten aan en de aantasting van de vaste leefomgeving. De woningbrand is daar het beste voorbeeld van, maar er komt ook een inbreker in de bundel evenals een lading gedichten over situaties waar wel vastigheid is (Sieb de Baas, Klaartje de Koe enz.). De lading nutteloze spullen worden in de bundel benoemd om de steeds onvastere, chaotische wereld om mij heen te ordenen. Benoemen is voor mij ordenen.

8.

Poëzie die richting, dan wel ordening aan het leven geeft? Leg eens uit…

Poëzie is altijd benoemen. Op een zo exact mogelijke wijze, veel vollediger dan wetenschap of religie dat bijvoorbeeld kan. Kunst (en dus poëzie) is veel vollediger in het weergeven van de wereld om ons heen en de innerlijke wereld van de maker. Dat komt omdat poëzie niet geregeld is aan regels of dogma’s. Alles mag en dus is alles binnen de kunst te vatten. Je kunt het het beste zien als een kaasstolp die je ergens overheen zet, zodat je het object in alle rust kunt bestuderen. Maar dan wel bestuderen zonder alle trainerende mores die de wetenschap stelt.

9.

Benoemen, benoemen… Waar is dat goed voor? Is kunst (en dus poëzie) niet volstrekt overbodig? We genezen er geen kinderziektes mee. Wat kopen we ervoor?

Niks! Leuk hè. We kunnen er een beetje mee benoemen en ordenen en daarmee maakt het het bestaan een beetje prettiger, maar eigenlijk koop je daar inderdaad niets voor. Prettiger is nog niet beter. Ik wil eigenlijk reageren met een uitspraak van Fritzi Harmsen van Beek die ik een tijdje geleden op Facebook zette. Dat vat het volgens mij wel goed samen.
‘Nou, ik zou het eigenlijk prettig vinden om me wijs te kunnen maken en hartstochtelijk te geloven dat het maken van poëzie onzin is en dat ik het toch doe, voor de onzin gewoon!’

10.

Ter afronding nodig ik je graag uit nog een paar wijsheden omtrent poëzie uit de mouw te schudden. Brand gerust los alsof je op een podium staat!

Nou, als ik toch het podium heb, zou ik iedereen die ook maar iets met poëzie te maken heeft willen oproepen om toch vooral eens naar Groningen te komen. Er gebeurt hier op het moment zoveel op het gebied van underground-literatuur, dat het zonde zou zijn als dit volledig voor de Randstedelingen verborgen zou blijven. Dus hup naar het Noorden.

Jan Holtman in gesprek met Joost Oomen